HOME


WORKS


INSTALLATION VIEWS


STUDIO


BIBLIOGRAPHY


BIOGRAPHY


TEXTS


NEWS


CONTACT

 


Galerie Engramme
Côte d’Abraham, 510, Québec, Canada
2002, zaterdag 6 juli om 14.00 uur

" Le garçon et la fille sont aimables et amusants".

lezing
eric vande Pitte




Telkens opnieuw wordt mij gevraagd: ‘Wanneer begon u met tekenen?’ en ‘Hoe is uw interesse voor kunst ontstaan?’

Wel, vandaag wil ik op deze vragen antwoorden.

Om eerlijk te zijn: ik herinner mij niet tijdens mijn kleuterjaren ooit te hebben getekend. Terwijl ik beslist zoals elk kind pagina’s moet hebben volgekrabbeld.

De kunst heb ik via de taal. Alsof het gisteren was, herinner ik mij de geur van de donkerblauwe inkt en het gekras van de pen op het papier tijdens mijn eerste lessen Nederlandse taal.

Ik was een nieuwsgierig kind, maar tevens ook erg onzeker. Ik wilde zo snel mogelijk leren lezen en schrijven, want ik meende daardoor de wereld te kunnen ontdekken en begrijpen. Ik lees nog altijd graag en lees zelf wat erop een flesje ketchup of op een vrachtwagen geschreven staat. Niets van het geschrevene lijkt mij te min.

Al vanaf mijn zesde jaar, was ik weg van boeken. Iedere zondag, na de mis, ging ik met mijn ouders en mijn broer naar de bibiliotheek. Bij het verlaten van de bibliotheek was ik droevig dat er zovele boeken moesten worden achtergelaten.

Op een dag ontdekte ik de afdeling met de kunstboeken, een schap vol met grote dikke werken. Hun uitleenprijs was driemaal zo hoog als die van de gewone boeken. Ik wist niet wat kunst was maar de plaatjes bevielen mij erg. Er waren zelfs afbeeldingen van naakte vrouwen ( Le déjeuner sur l’herbe)! Ik kon toen al behoorlijk lezen, maar in die tijd waren boeken over kunst meestal in het Frans geschreven; ik ontcijferde dan maar de plaatjes zelf en verzon daarbij telkens een verhaaltje bij elk schilderij.

Op de reproducties die details lieten zien (Van Gogh) merkte ik de penseelvegen in de kleurenmassa en dat stimuleerde mij om de techniek van de schilderkunst beter te leren kennen. Met dikke penselen en kleurrijke verf zette ik mij, rechtop staande voor de keukentafel aan het schilderen. Mijn familie vond dit maar raar. Kunst was voor mijn ouders een vreemde wereld en kunstenaars werden niet hoog aangeslagen. De naam van Picasso werd als scheldwoord gebruikt. Kunstenaars werden als marginalen beschouwd, het waren mensen die enkel in hun eigen plezier waren geïnteresseerd en hun gezin niet of nauwelijks konden onderhouden. Velen werden natuurlijk na hun dood beroemd maar dan was het te laat om over een geslaagd leven te kunnen spreken.

Ik bewonderde zeer Manet, Monet, Gauguin, Toulouse-Lautrec, Van Gogh en Picasso die allen in Frankrijk leefden en werkten. Picasso, de Spanjaard, Modigliani, de Italiaan, Van Gogh, de Nederlander, kortom alle grote schilders leefden in dat land. De kennis van de Franse taal, zo dacht ik, was de sleutel die mij de wereld van de kunst zou openen. Dat is de reden waarom ik nu aan mijn werken Franse titels geef. Ik hoopte dan ook en dat was natuurlijk een beetje naïef, dat mijn eerste Franse les over kunst zou gaan. Dat was niet het geval.

Ik vond een eigen manier om mijn schoolboekjes te lezen. Ik bekeek eerst de plaatjes die ik zo goed mogelijk probeerde te ‘lezen’. Dan las ik de tekstjes die er onder stonden in de hoop meer te weten te komen over de beelden en ik moest constateren dat ze meestal niet overeenkwamen met de beeldjes. Ik ontdekte ook dat de werkelijkheid niet overeenkwam met de afbeelding ervan.

Dat bracht me in verwarring en maakte mij bangerig en achterdochtig. Op school durfde ik niet eens meer melk drinken uit angst voor een of andere vergiftiging van criminele opzet. Ik trok me terug in mijn eigen wereldje en begon te tekenen, te dromen, en creatief te zijn en mijn eigen werkelijkheid te tekenen. En ik vond rust en vrede in alles wat mooi was.

Ik begon fraaie prentkaarten en beeldverhalen na te tekenen (Eric de Noorman). Het tekenen bevredigde me minder en minder. Elke mislukte schets veroorzaakte een grote frustratie. Ik wilde werkelijk leren tekenen en droomde ervan om tekenlessen te kunnen volgen. De artistieke humaniora die ik had voorgesteld, beperkte zich tenslotte tot een opleiding in architectuurtekenen, een vak waar je je brood mee kon verdienen.

Daarna kwam de hogere kunstopleiding, helaas niet in de afdeling schilderkunst die ik had gewenst, maar in die van de binnenhuisarchitectuur, een compromis. In die studententijd volgde ik overdag de lessen in binnenhuisarchitectuur en s’avonds lessen schilderen, waar ik me meteen liet inschrijven.

Zodra mijn studies waren voltooid, vond ik vrij snel een baan als leraar tekenen en schilderen. En in mijn eigen atelier, tekende en schilderde ik vol overgave portretten, landschappen en stillevens...

In 1986, toen ik 36 jaar oud was, begon ik systematischer te werken aan projecten. De eerste noemde ik ‘Pitte... en riep rechtsreeks de droomwereld van mijn kinderjaren op. De gekende kinderboekenreeks Tania aan zee, Tania op reis, Tania in de bergen stond als model voor de serie Pitte.

Op 20 boekomslagen heb ik mezelf getekend als de held Pitte - zo noemde men mij als kind – altijd geplaatst in een decor van beroemde schilderijen. Zo beleefde ik avonturen met de skeletten van Ensor, de pijp van Magritte; ik ging vissen in een vijver van Seurat of reed in een kinderauto rond de kerk van Arles van Vincent van Gogh.

Andere projecten volgden, zoals Nu sur Azur die mijn fascinatie als kind voor prentkaarten en voor reproducties van naakten uitdrukten. Mijn werk kreeg stilaan aandacht. Ik stelde regelmatig tentoon en verschillende galerieën en musea in België lieten mijn werk zien en kochten het.

In 1995 had ik het geluk om twee maanden lang te mogen werken in Nice aan de Azurenkust. Ik bestudeerde er de tekeningen van Matisse en maakte er een reeks werken aan de hand van schablonen en gekleurd papier die ik in het felle zonlicht liet verkleuren. Deze serie, ‘Jardin Méditeranéen, vu par la fenêtre’ werd het jaar daarop op de grote kunstbeurs in Cannes tentoongesteld.

In 1998 begon ik, aan wat ik maar mijn levenswerk, mijn ‘magnus opus’ zal noemen. “Dans le jardin, il y des arbres et des fleurs”, geïnspireerd op teksten en illustraties van mijn eerste leerboekje Frans. In ‘Dans la Classe’, ‘Chez le boulanger’, ‘A la campagne’ herneem ik het leren van eenvoudige Franse zinnetjes (herhaal ik de Franse zinnetjes uit mijn schooljaren), die in fel contrast stonden met de mysterieuse sfeer van de tekeningen waarin ik toevlucht zocht. ‘Où donc est cette rue?’ is bevolkt met vreemde volwassen wezens, die ik weet niet goed waarom, mij nu nog beangstigen.

‘Een auto komt voorbij en rijdt in een grote plas water. Marcelle is kletsnat. Haar benen, haar jurk en haar gezicht zijn vol moddervlekken. Arme Marcelle! Een beangstigende auto met boze bedoelingen maakt Marcelle nat. Waarom? Kent die auto Marcelle? Weet Marcelle waarom die auto dat doet? In de privésfeer van ‘Marcelle schrijft een brief’ lees ik dat ‘alvorens te schrijven, Marcelle aan haar vulpen zuigt om ideën op te doen.’ In het schoolboek zijn de plaatjes afgestemd op de Franse tekstjes, in mijn reeks ‘Dans le jardin il y des arbres et des fleurs.’, gaat alle aandacht naar de figuurtjes in de tekeningen. De eenvoudige zinnetjes fungeren als titels voor de werken.

Naast de afbeeldingen en de taal uit de tijd, gebruik ik ook meer en meer de oude materialen. Ik bestrijk mijn papier of canvas met donkerblauwe schoolinkt alvorens ze te beschilderen of te zeefdrukken. Ik teken met dikke achthoekige potloden op, het zo zachte, zijdepapier, het papier dat ik verkoos toen ik kind was. In mijn grotere werken maak ik veel gebruik van violette tinten,de kleur van de oude aniline-potloden. Ik gebruik ook geregeld fosforescerende pigmenten die oplichten in het donker. Voor mij is dit niet enkel maar een mooi effect. Het beeld dat in de duisternis verschijnt en daarna langzaam verdwijnt is een directe toespeling op de vergankelijkheid van de herinneringen uit de kinderjaren.

Anderzijds doen de tekeningen die vervagen, denken aan wat men nabeelden noemt. Als we de ogen dichtdoen, zien we nog eventjes het laatst geziene beeld.

Ja, en als u mij vraagt ‘wie mijn voorbeeld is of de kunstenaar die mij het meest heeft beïnvloed?’ dan antwoord ik dat de magische verbinding tussen woord en beeld zoals je die treft in de werken van René Magritte mij altijd heel erg heeft gefascineerd. Maar ook de geheimzinnige tekeningen - zo welsprekend in hun verstomming- van Edward Hopper. Of de schoonheid van de zuivere tracés van Henri Matisse ontroert mij hevig.

Mijn kunst houdt geen boodschap in.